Novel Risk Markers for Type 2 Diabetes

28 mei 2018

A. Brahimaj, proefschrift

Novel Risk Markers for Type 2 Diabetes

Adela Brahimaj– Universiteit Medisch Centrum Rotterdam (2018)

Samenvatting

In dit proefschrift hebben we ons gericht op het onderzoeken van associaties tussen nieuwe risicomarkers en het risico op prediabetes, diabetes type 2 en het starten van insulinetherapie in de algemene populatie en in vrouwen en mannen apart in de Rotterdam Studie. Onze belangrijkste focus punten waren ontsteking markers, lipiden, distributie van lichaamsvet en geslachtshormonen.

Hoofdstuk 1 introduceert de lezer met de epidemiologie, belasting, pathofysiologie van diabetes type 2 en beschrijft de rol van ontstekingen, lipiden, lichaamsvet en geslachtshormonen in de ontwikkeling van de ziekte. Dit hoofdstuk bevat ook de doelstellingen en de hoofdlijnen van dit proefschrift.

Hoofdstuk 2 bevat drie studies waarin voornamelijk de rol van verschillende inflammatoire markers in het risico op type 2 diabetes werd onderzocht. In hoofdstuk 2.1 werd de associatie van een set inflammatoire markers met de progressie van normoglycemie naar pre-diabetes, diabetes type 2 (T2D) en uiteindelijk naar insulinetherapie onderzocht. Onze bevindingen suggereren dat verschillende inflammatoire markers geassocieerd kunnen zijn met progressie van normoglycemie naar pre-diabetes (IL13, ENRAGE, CRP), T2D (IL13, IL17, CRP) of de start van insulinetherapie (IL13). Onder hen is EN-RAGE een nieuwe inflammatoire marker voor pre-diabetes, IL17 voor incident T2D en IL13 voor pre-diabetes, incident T2D en de start van insulinetherapie.

Hoofdstuk 2.2 onderzocht de rol van antioxidanten in het dieet en de plasma oxidant – antioxidant status in laaggradige chronische ontstekingen en adipocytokinen waardes. Onze bevindingen suggereren dat een hoog algeheel antioxidantvermogen van het dieet en lagere waardes van UA geassocieerd zijn met lagere waardes van pro-inflammatoire adipocytokines en hogere waardes van anti-inflammatoire adipocytokines. In hoofdstuk 2.3 was onze doelstelling om de associatie tussen serumurinezuur en het risico op prediabetes en diabetes type 2 te onderzoeken. Onze bevindingen komen overeen met de notie dat serumurinezuur nauwer gerelateerd is aan vroege fase-mechanismes bij de ontwikkeling van diabetes type 2 dan met mechanismes in de late fase.

In hoofdstuk 3 hebben we ons gericht op de rol van lipiden en lichaamsvet in het risico op diabetes type 2. Hoofdstuk 3.1 onderzocht de rol van serumwaardes van verschillende apolipoproteinen op het risico voor diabetes type 2. We ontdekten dat serum-apoCIII waardes en apoCIII-totapoA1-ratio geassocieerd zijn met incidenteel T2D, onafhankelijk van bekende risicofactoren en sterker geassocieerd dan HDL-C waardes. Hoofdstuk 3.2 onderzocht de associatie tussen verschillende nieuwe metabole indices, gecombineerd met antropometrische en lipide waardes (VAI, LAP, TyG) en DXA-metingen voor lichaamsvet met diabetes type 2 in vrouwen en mannen uit de grote op populatie-gebaseerde Rotterdam Studie. We vonden dat in vrouwen de nieuwe gecombineerde metabole indices sterkere risicomarkers zijn voor T2D dan de traditionele antropometrische en laboratoriummetingen en vergelijkbaar waren met DXA-metingen. Noch gecombineerde metabole indices, noch DXA-metingen waren superieur aan traditionele antropometrische en lipidemetingen in associatie met T2D in mannen.

Hoofdstuk 3.3 bestudeerde de associaties van epicardiaal vetvolume met incident diabetes type 2, coronaire hartziekten (hartinfarct en cardiovasculaire mortaliteit) en beroertes, in de totale bevolking en bij vrouwen en mannen. Onze resultaten suggereerden dat een verhoogde hoeveelheid epicardiaal vetvolume kan worden geassocieerd met verhoogd risico op T2D, harde CHD en beroerte in de totale populatie, onafhankelijk van de traditionele diabetes en cardiovasculaire risicofactoren.

In hoofdstuk 4.1 werden de associaties tussen de serumwaardes van dehydroepiandrosteron (DHEA) en de belangrijkste derivaten ervan, DHEA-sulfaat (DHEAS) en androsteendion, en de verhouding van DHEAS tot DHEA en het risico van diabetes type 2 onderzocht. Onze resultaten suggereerden dat DHEA een positieve rol kan spelen in de pathogenese van diabetes type 2, dit kan belangrijke implicaties hebben voor preventieve interventies. Hoofdstuk 4.2 onderzocht de associatie tussen endogene geslachtshormonen en veranderingen in de lichaamssamenstelling bij postmenopauzale vrouwen. Onze bevindingen ondersteunen het concept dat veranderingen in endogene geslachtshormoonwaardes nauw verbonden zijn met veranderingen in de lichaamssamenstelling bij postmenopauzale vrouwen. De belangrijkste bevindingen en methodologische overwegingen van dit proefschrift worden besproken in de algemene discussie in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 5 eindigt met klinische implicaties van onze bevindingen en toekomstig onderzoek naar diabetes type 2.